Wezens uit Schotland aan het woord

Eind april ging ik met mijn oudste zus Sarah een weekendje naar Schotland, in combinatie met haar werk. We hadden allebei zin in veel natuur en geen toeristen, dus we reden zo ver naar het noorden als mogelijk was voor een tweedaagse. Na drie of vier uur rijden kwamen we bij “Glen Cannich”, een dal dat lang geleden uitgesleten was door een gletsjer en nu natuurreservaat geworden is. Er kronkelt 1 supersmal asfalt-weggetje door het dal, net naast de rivier die rustig midden de heuvels stroomt. Na 20 minuten de weg gevolgd te hebben, stappen we uit en bewonderen we het klaterende water. Het geheel ziet er beslist sprookjesachtig uit. Ik neem mijn geplastificeerd toetsenbordje, mijn zus neemt pen en notitieschrift en samen zoeken we een droge plek om te zitten.

Aan de deva van de Glen: wie woont er hier allemaal en wie zouden we aan het woord laten, en hoe zit het in elkaar?

– “Ik ben moeilijk te beschrijven als Deva, maar eerder ‘het waterwezen’. Ik heb hier de hoogste positie. Dat komt door het ontstaan van deze vallei die door water werd geschapen. Ik heb onder mij vele wezen die vele taken uitvoeren. Er zijn de kleine waterwezens en er zijn de wezens van de stille oevers. [op dit moment beseffen we dat de oevers inderdaad stil zijn in vergelijking met de bruisende rivier] Ook de bomen zijn belangrijk en ook zijn er wezens van de lucht. Elke categorie heeft grote en kleine en piepkleine wezens.”

Welke taken moeten die wezens dan uitvoeren?

– “Alle taken der natuur. Dat is opbouw, instandhouding en afbraak.”

Wie zouden we aan het woord kunnen laten?

– “Je kan spreken met de oeverwezens.”

Is er nog iets wat het grote waterwezen wil vertellen?

– “Ik heb geluk. Ik woon op een plek waar niet veel mensen komen. En heb ik hier zelfs mensen die mij vragen stellen en die horen wat ik antwoord. En die kijken naar de zinnen die ik hen vertel. Ik bedoel, als ik spreek over de stille oevers, dan weten ze wat ik bedoel en dan zien ze wat ik bedoel. Veel van mijn medewezens elders hebben niet zo veel geluk als ik. Ze worden in het nauw gedreven en hebben moeite om de vervuiling aan te kunnen en te ‘managen’ [woord bij benadering] Je weet wat ik bedoel [i.v.m. dat laatste woord].
Ik zou willen vragen aan mensen om af en toe oog te hebben voor de nood van de subtiele wezens. Dit alleen al betekent heel veel voor ons. Meer kan je soms niet doen, maar toch heeft het belang en betekenis. Vaak lopen mensen ergens zonder te kijken naar wat ze zien en bijgevolg zien ze niets, behalve zichzelf en hun gedachten. Ik vraag dat mensen open komen voor wat er is rondom hen. Die openheid zal zorgen dat hun leven en dat van ons lichter wordt doordat we subtiel contact kunnen maken, zonder woorden maar wel reëel.”

Dankjewel voor dit gesprek, groot waterwezen.
De ‘oeverwezens’ hebben we daarna ook aan het woord gelaten, hierover lees je  in ‘De wezens van de stille oever