De wezens van de stille oever

Nadat het Grote Waterwezen met ons gesproken had en gezegd had dat we ‘de oeverwezens’ konden aanspreken, deden we dat dus (met dank aan Sarah voor de inventieve vragen).

Willen de oeverwezens wat zeggen?

– “Omdat het waterwezen zei dat wij zouden spreken, zullen wij spreken. Wij zijn de wezens van de stille oever en daar zijn we geboren, op de oever. Op een dag kwamen we er en op een dag gaan we weer. Ik spreek hier over individuen, niet over wij als volk. Wij als volk zijn hier al ongeveer zeer lang en dat zal ook ongeveer zo blijven.
We zullen nu het woord laten aan één van ons, die zijn huis heeft dichtbij waar jullie nu zitten, namelijk recht achter jullie onder de kleine bomen.”

Hierop kijken we achter ons en zien enkele kleine bomen staan (zie foto). Net achter de bomen (hier niet zichtbaar) ligt de smalle weg waarover we gekomen waren.

Hallo, heb je een naam?

– “Hallo. Ik heb een naam, maar ze is zo gaelic dat ik hem niet kan overbrengen op deze manier. Het lijkt op Penauchailn. Zoiets.
Ik woon hier dus, onder de kleine bomen met een groepje broers, zoals ik dat noem. Ik zorg voor de goede orde hier zo in de buurt. Meestal zijn er niet zoveel problemen. Alles gaat zijn gewone gangetje. Alleen in de tijd toen ze het asfalt legden was er chaos alom en toen heb ik de hulp van zij die boven mij staan moeten inroepen, want ik was nogal van de kaart en de andere wezentjes ook. Ik kon niet iedereen geruststellen want ik wist zelf niet wat er aan de hand was. De stank was het ergste, die bleef dag en nacht, ook nadat de daverende monsters weg waren. En daarna was het weer stil, en nu zijn we eraan gewend.”

Kunnen jullie voelen als het koud is of sneeuwt?

– “Ik leef met de natuur. Ik heb geen kou in de zin dat ik mij zou moeten verwarmen, maar ik ervaar de koude wel, omdat ze een rol speelt in de processen die ik begeleid. Ik vind koude niet onaangenaam en hitte ook niet. Alleen wanneer de dieren last hebben, zie ik het leed en dan voel ik dat ook in mij zo.”

En die stank rook je wel?

– “Ik ruik zeer goed.”

Kan je smaken?

– “Ik eet, ik smaak dus ook. Maar wat ik eet, is zo subtiel dat jullie niet kunnen weten wat ik eet.”

Ben jij een kabouter en hoe zou je jezelf omschrijven?

– “Ik ben moeilijk te omschrijven als kabouter omdat de mensen daar zoveel vooropgestelde gedachten rond hebben. Ik hou niet van dat woord, maar dat is puur een persoonlijke kwestie. Niet allen van mijn volk zijn van deze mening. Ik zal een beeld proberen te geven van hoe ik wel mezelf zou omschrijven.
Vooreerst ben ik zeer luchtig en licht en jeugdig van energie hoewel ik niet jong ben, allerminst. Zo heb ik geen baard. Ik ben geen miniatuurmensje en ik heb geen punthoed. Ik ben eerder een klein mannetje maar wel zo energetisch als je je maar kan voorstellen in een mannetje. Zo ben ik eigenlijk niet echt gebonden aan een vorm. Ik kan wervelen of ik kan spiralen of ik kan zo stil en plat worden als een steen. Ik kan snel bewegen en zo snel mij verplaatsen als zonlicht.”

Waar ga je dan naartoe?

– “Ik ga soms te rade bij wezens die mij onder hun hoede hebben. En zij zijn soms ergens anders aan het werk, en dan ga ik daarheen.”

Heb jij ook een doel in je leven, dat je iets wil bereiken? Wat denk je van God?

– “Voor mij zie ik God aan het werk in alles, altijd. Ikzelf ben ook het werk van God – ik doe het werk van God bedoel ik, en ik werd ook bedacht door God natuurlijk. Voor mij is het hoogste van het leven om alles in goede banen te kunnen leiden, dan ben ik gelukkig. Wat ik ondervind aan problemen in mijn werkgebied dat zijn mijn lessen die ik moet proberen oplossen. Dat is wat er op mijn bordje ligt. En daar ben ik dankbaar voor, hoewel ik soms wel moeite heb, maar ik voel me toch gesteund door zij die voor mij zorgen, hoger op de ladder.”

Wil je nog iets zeggen aan de mensen?

– “Ik wil graag aansluiten bij de oproep van het grote waterwezen, die ik zeer respecteer. Mensen die met hun ogen open zijn stralen een soort zachte liefde uit die heel mooi is voor ons om te zien. Echt heel mooi. Ik kan het niet anders beschrijven. Het gebeurt niet zo vaak meer tegenwoordig. Mooi en zeer deugddoend om te zien.”

Op het einde voegde hij er nog aan toe: “Ik wil jullie graag bedanken dat ik mijn zegje mocht doen.”
Het oeverwezen had geen last van de kou, maar wij ondertussen wel, dus we zeiden hoe blij en dankbaar we waren voor dit gesprek, en daarna kleumden we snel onze warme auto weer in.

Lees verder: De boom bij de stuwdam